Meerdere verhalen vertellen en impact meten: Marijke Oosterbroek (Amsterdam Museum) over 'e-cultuur' in het museum

Marijke Oosterbroek is al tien jaar verantwoordelijk voor e-cultuur – audiovisuele en interactieve media – bij Amsterdam Museum. Ze werkte mee aan talloze tentoonstellingen, waaronder Hollanders van de Gouden Eeuw, die nu in de Hermitage te zien is en ‘50 jaar Paradiso’ en ‘Amsterdam DNA’ in het Amsterdam Museum. Studio Maslow sprak met Oosterbroek over nut en noodzaak van AV in en buiten musea. “Av-middelen kunnen je bereik gemakkelijker vergroten.”

 

Oosterbroek werd tien jaar geleden aangenomen om audiovisuele middelen het museum binnen te brengen. “De afdeling e-cultuur is opgezet om innovatie te waarborgen en onze bezoekers een beter product te leveren. Er was toen discussie over de noodzaak van digitale middelen. Veel van de mensen die er toen werkten dachten ‘zoals het nu gaat, doen we het toch goed?’. En we zijn altijd een heel interactief en participatief museum geweest, dus we deden al heel veel, mensen konden bijvoorbeeld door middel van papier aangeven wat ze vonden. Maar we zagen ook dat er natuurlijk steeds meer mensen kwamen met nieuwe behoeften.”

 

Die behoeften betroffen niet alleen de inzet van digitale middelen, maar ook welke verhalen er worden aangeboden. “Mensen die gewend zijn aan digitale middelen gaan ook anders leren en anders kijken, dus die hebben ook andere ondersteuning nodig. Kijk bijvoorbeeld naar het NRC. Het NRC Handelsblad gaat ervan uit dat je een enorm raamwerk in je hoofd hebt, dat je weet waar alles ligt, waar alle oorlogen plaats hebben gevonden. Maar als je gewend bent aan Google, dan onthoud je dat niet allemaal, dan zoek je dat gewoon even op en dan heb je in een nieuwsblad ook meer achtergrondinformatie nodig. En zo werkt NRC Next, die zet er gewoon even een infographic bij, zodat je weer weet hoe alles werkt."

 

"In musea moet je er rekening mee houden bij het vertellen van een verhaal, dat niet iedereen hetzelfde verhaal nodig heeft. Daar hebben we met e-cultuur voor gestreden en dat is eigenlijk heel goed gelukt. Waar we onlangs mee aan de slag zijn gegaan is zorgen dat we niet alleen gaan maken, maar meer kijken of datgene wat we doen succesvol is, wat we eraan kunnen verbeteren en hoe we die AV nog beter in kunnen zetten. Daarnaast meten we de impact. We werken nu volgens ‘plan, do, check, act’. We maken van te voren hypothesen: wij denken dat dit daarom gaat werken. Dat onderzoeken we vervolgens, daarvoor werken we samen met de Hogeschool van Amsterdam. En dan kijken we bij de volgende tentoonstelling: hoe kunnen we dat nou beter doen?”

 

Wat zijn de doelen van Amsterdam Museum? En zijn daar veranderingen in gekomen in de tien jaar dat je er werkt?

 

Wat wij heel belangrijk vinden is 100% verwelkomend te zijn. Dat zijn we nog niet, maar het is wel ons doel om aantrekkelijk te zijn voor zoveel mogelijk mensen. We onderkennen al heel lang dat niet iedereen dezelfde behoeften heeft. Waar de een gewoon heel geïnteresseerd is in de objecten zelf en heel blij is met een duidelijke beschrijving en verder het liefst heel weinig afleiding heeft, heeft een ander gewoon veel ondersteuning nodig om een prettige ervaring te hebben. Of andere ondersteuning, of een ander verhaal.

 

Wij proberen digitale middelen in te zetten om ons palet te vergroten, om zo tegelijkertijd meerdere verhalen te vertellen. Dat is ook gelukt denk ik, maar het blijft een voortdurende zoektocht, want dingen die tien jaar geleden heel erg aansloegen zijn nu niet meer zo interessant. Iets digitaal laten zien waarop je kan klikken was toen heel leuk, maar nu heeft iedereen dat thuis. Daarin moet je dus voortdurend innoveren. Door techniek en het internet zijn we allemaal enorm aan het veranderen, dus musea moeten echt meedoen om interessant te blijven en ook zorgen dat verschillende groepen die verschillende behoeften hebben het museum leuk blijven vinden.

 

Hoe groot is het risico dat je dan gaat voor technologie om de technologie?

 

Dat hebben we in het verleden misschien weleens gedaan, omdat we het zelf ook allemaal nog heel spannend vonden. Maar voor ons is technologie echt ondersteunend aan de ervaring van de bezoeker, wij kiezen er soms ook voor om geen technologie te gebruiken omdat het gewoon niet bijdraagt.

 

We gebruiken AV-technologie puur om op verschillende niveaus informatie aan te bieden. Een voorbeeld is Hollanders van de Gouden Eeuw, onze tentoonstelling in de Hermitage. We hebben daar gekozen voor traditionele tekst en woorden op de muur en op de vloer. Dat is de basis informatie. Daarnaast hangen de prachtig uitgelichte schilderijen. Daarmee is een flink deel van de klassieke bezoekers helemaal happy.

 

Maar een heleboel mensen – met name  toeristen, en daar mikken we op – hebben gewoon meer nodig om te begrijpen wat ze zien. Een van de dingen die we daarvoor doen is het verhaal vertellen door op de schilderijen te projecteren. Dat word erg gewaardeerd. 

 

De standaard opzet is bij ons simpel. We lichten mooi uit en ondersteunen dat met audio in meerdere talen. daarbij gebruiken we heel simpele audio devices. Ooit zijn we begonnen met multifunctionele iPods, maar toen hebben we ontdekt dat het voor de beleving eigenlijk beter is wanneer je de techniek simpel houdt. Op die manier laat je de mensen in de ruimte kijken. Als we dingen willen illustreren en laten zien, dan doen we dat liever door middel van projecties die je activeert of film. We zagen tijdens onze experimenten, dat veel mensen zich heel erg door het device laten afleiden. De technologie staat bij ons in dienst van een directe beleving van het object.

AV in de praktijk: ‘Hollanders van de Gouden Eeuw’ in de Hermitage

 

We hebben ons wel wat op de hals gehaald door in deze tentoonstelling te projecteren op kunstwerken en de zaal tijdelijk te verduisteren. Het stelt niet zoveel voor, en is maar voor een paar minuten, maar vooral in de museumwereld leidde het tot gefronste wenkbrauwen. Terwijl wij wisten dat de bezoekers het enorm kunnen waarderen.

 

Daarnaast hebben we, in het Nederlands, ook een audiotour gemaakt met Hans Aarsman. Hij lapt alle regels van hoe je zo’n tour maakt aan z’n laars en het resultaat is iets heel authentieks en persoonlijks. Er zijn heel veel mensen die dat leuk vinden. Het mooie van digitale middelen is dat je het als een extratje aan kan bieden. Je hoeft het niet te doen, je kan het óók doen.

 

 

 

Welke pogingen hebben niet het doel bereikt dat je voor ogen had?

 

Niet zo lang geleden in onze tentoonstelling over Bol en Flinck hebben we een app ontwikkeld waarin we ook artificiële intelligentie – een chatbot – gebruikt hebben om mensen in contact te brengen met de schilderijen. Die tentoonstelling had veel kunst en dat trok een ouder publiek. Bezoekers moesten een app downloaden op de eigen telefoon. Als mensen het eenmaal te pakken hadden dan vonden ze dat heel leuk, maar het bleek heel moeilijk om ze zover te krijgen dat ze in zo’n klassieke tentoonstelling hun eigen apparaat pakten en het ook echt gingen doen. Aan de andere kant gaven toeristen aan het idee heel leuk te vinden. Die hebben veel meer tijd, maar we hadden het alleen in het Nederlands, dus het was voor hen niet toegankelijk. Maar goed, we willen experimenteren en dan geldt: ‘you win some,  you lose some’. Maar als we zoiets weer gaan doen, moet het zeker in het Engels.

 

Hoe werkt AV voor jullie als geschiedenismuseum?

 

Wij proberen mensen een beter begrip te geven over de stad vanuit een historisch perspectief, maar dat eindigt in de toekomst. We kijken of vanuit het verleden naar het heden, en dan naar de toekomst. Daar zetten we ook AV voor in. Zo hebben we bijvoorbeeld een programma voor jongeren, stadslab, en daarin gaan we met die jongeren aan de slag, om ze uiteindelijk hun eigen stad te laten vormgeven. Dat is niet zozeer geschiedenis, maar begrijpen dat jij ook een stukje van de geschiedenis bent en jij er ook toe doet in je stad. Samen met een aantal partners zij we in het project 'groeistad', een kaart aan het maken waarin leerlingen van scholen in Amsterdam een eigen wijk kunnen vormgeven op die kaart.

 

Als Amsterdams Museum proberen we een museum van alle Amsterdammers te zijn en dat betekent dat we daarvoor ook mensen van buiten de ring moeten bereiken. Die focus was tien jaar geleden niet anders, maar de middelen waren veel beperkter. Door av-middelen kan je bereik makkelijker groter worden. Met die groeikaart kan je bijvoorbeeld al in de klas aan de slag met het materiaal. 

 

Als we iets nieuws proberen, beginnen we meestal heel eenvoudig. Zo maken we nu 360-graden opnames van de tentoonstelling en dat gaan we gewoon op het web zetten zodat mensen die het niet hebben kunnen zien, of niet naar het museum kunnen komen vanwege een beperking, het toch kunnen zien. Dan kijken we: gaan mensen dit doen? Als dat populair wordt dan wordt het voor ons de moeite waard om zoiets verder te gaan inrichten. Sommige experimenten slaan niet aan en dan kan je beter je aandacht op iets anders richten.

 

Gebruiken jullie zowel fictie- als documentairemateriaal in de tentoonstellingen?

 

We werken vaak met documentaire- en archiefbeelden, maar ook wel met fictie. Zo hebben we in de tentoonstelling Amsterdam DNA een aantal kernschermen, daar vertellen we in kleine filmpjes het verhaal dat we in zo’n zaal kwijt willen. Dat heeft een voordeel natuurlijk, want dat is een productie in tien talen. Als je dat op wil schrijven is dat niet om aan te zien natuurlijk, maar met de audiosets in een specifieke taal is het voor iedereen te begrijpen. Op die schermen hebben we een soort 3D-simulatie gebruikt, we hebben geprobeerd de objecten meer betekenis te geven door de objecten in het verhaal te trekken. Dus dat is wel fictie.

 

 

Wat we qua documentair vaak doen, is dat we zoals nu in Paradiso, mensen aan het woord laten die zelf ervaringen hebben met het onderwerp. Documentair helpt heel goed om het verhaal dichterbij te krijgen. In Paradiso hebben we twee audiotours waarin we het verhaal vertellen, in het Engels en in het Nederlands. Ze zijn wel verteld vanuit persoonlijke oogpunten, maar ook zo dat je als je Paradiso niet kent je wel het hele verhaal hebt. Daarnaast zijn er voor de mensen die zelf ook herinneringen hebben stukken uit podcasts te luisteren. Die zijn gemaakt door VPRO 3 voor 12. Hier hoor je mensen hun persoonlijke verhaal vertellen en dat werkt heel goed, nog beter dan fictie eigenlijk.

 

Ons doel is mensen zichzelf te laten herkennen. Wat ik het leukst vind is om techniek op een manier in te zetten die je thuis niet gewend bent. Vroeger had je bij Paradiso van die vloeistofdiasferen, iets dergelijks hebben we gesimuleerd zodat je in de ruimte echt zo’n Paradisogevoel krijgt. Maar wat we ook gedaan hebben, veel traditioneler, verderop in de tentoonstelling is een slideshow met heel veel foto’s. In onze ruimtes heb je maar een beperkte mogelijkheid om dingen te laten zien, maar wij weten dat heel veel mensen zelf in Paradiso komen en bepaalde optredens hebben gezien en foto's van zijn. Dit hebben we benut door zoveel mogelijk mensen zichtzelf te laten herkennen. Je ziet op Facebook dan ook veel foto’s van dat scherm waar mensen hun eigen foto’s zien.

 

Hoe verwacht je dat de museumpraktijk zich gaat ontwikkelen in de toekomst?

 

Ik verwacht meer personalisatie en meer participatie. Je kan met digitale middelen personaliseren, we hebben dat bij het Kleine weeshuis gedaan door twee mediatours in te richten voor kinderen tot twaalf jaar en oudere kinderen. Bij de schermen krijgen zij nu op hen gepersonaliseerde content en dat werkt erg goed. We merken wel dat we vaak gewend zijn om een individueel profiel te maken, terwijl veel bezoekers graag met elkaar zoiets beleven. Daarvoor zullen mogelijkheden komen.

Wat betreft participatie zijn we nu bezig met New Narratives om te kijken hoe we meerstemmigheid terug kunnen laten komen in het museum en ik verwacht dat we in de toekomst ook digitale middelen in kunnen gaan zetten om veel meer verschillende verhalen uit veel meer perspectieven te kunnen laten horen. Ook kan je dan stukken geschiedenis waarvoor je geen objecten hebt toch invullen met andere middelen.

 

Amsterdam DNA en Hollanders van de Gouden Eeuw zijn dagelijks te bezoeken in respectievelijk Amsterdam Museum en Hermitage Amsterdam.

 

 

 

 

Share on Facebook
Share on Twitter
Please reload

Uitgelichte berichten

Navigatie-app begeleidt bezoeker op Bauhaustentoonstelling Boijmans

March 7, 2019

1/7
Please reload

Recente berichten
Please reload

Archief